Wij zijn sedert begin 2004 met z’n allen kasteelheren en -vrouwen geworden. Die wij dat zijn de tien mensen die onder de bezielende leiding van Luc Glorieux dagelijks hun beste beentje en ook het andere bijzetten tot meerdere eer en glorie van de FBAA en BAAV. We voelen ons verwend en veel eer aangedaan. Mogen werken in deze prachtige infrastructuur en omgeving is niet aan velen gegeven. In de voorbije weken en maanden hebben we met z’n allen onze ogen en oren wijd opengezet in de ontdekkingstocht doorheen het Kasteel van Rumbeke, ook al eens Kaasterkasteel genoemd. Zo hebben we met spitse aandacht geluisterd naar het verhaal over de geschiedenis van het kasteel door Jozef Denolf, voorzitter van Reisleiders Vlaanderen. Voorwaar een pittig verhaal, dat we aan onze lezers willen doorvertellen. We doen het in drie schuifjes. Het eerste vind je in dit nummer. Om duim en vingers af te likken… (GeL) 

Het kasteel, waar ooit “De Wieg van Vlaanderen” stond, wordt gekenmerkt door twee bijzondere gegevens. Eén: het kasteel kende in zijn vijf eeuwen geschiedenis weinig verbouwingen en werd in een opmerkelijke staat aan ons overgeleverd. Twee: slechts twee families hebben die tijd overbrugd: de familie de Thiennes handhaafde zich in de woelige ontstaansgeschiedenis van Europa, de familie de Limburg-Stirum hielp mee aan de vorming en de uitbouw van de Belgische staat.

De geschiedenis van het Rumbeke-kasteel begint met een legende: een verhaal dat op volksoverlevering berust.

Een zekere Boudewijn is als forestier of woudmeester belast met het toezicht op het bos- en moerasrijke gebied van Vlaanderen, de meest noordelijke gouw van zijn meester Karel de Kale, kleinzoon van Karel de Grote en koning van West-Frankenland. Zijn onverschrokkenheid en kracht in de strijd tegen de Moren in het zuiden bezorgden hem de naam van Boudewijn met de IJzeren Arm en de titel van vroomste ridder van geheel de christenheid.
Bij zijn terugkomst uit het zuiden ontmoet hij op een mooie morgen de al even mooie Judith, dochter van diezelfde Franse koning, op haar achttiende jaar reeds weduwe van koning Edelwolf van Engeland, en na een uitzichtloze affaire met haar stiefzoon Edelbald terug in Frankrijk. Het is liefde op het eerste gezicht. Boudewijn schaakt zijn geliefde en vlucht er mee naar Vlaanderen. Op het kasteel van Harelbeke zegent de bisschop van Doornik het huwelijk in met instemming van Lodewijk de Stotteraar, Judiths broer, kroonprins van Frankrijk en vriend van Boudewijn. Hun wittebroodsweken brengen zij, meer verscholen in het bos, door in het kasteel van Rumbeke. De tussenkomst van de paus koelt de gramschap van de Franse koning. Hij schenkt het gebied tussen de Noordzee, de Somme en de Schelde aan zijn schoonzoon en bevordert hem tot “Graaf van Vlaanderen”: de liefde van een woudmeester en een mooie prinses, omstreeks 862.

Heerlijkheid

De legende brengt ons bij het ontstaan van het leenstelsel, waarbij Karel de Grote omstreeks 800 zijn grote rijk structureert in 300 graafschappen onder leiding van graven. Dat leenstelsel fungeerde als efficiënt bindmiddel in een tijd waar mobiliteit en communicatie nog niet bestonden. De tijd doet zijn werk: de grond wordt verder uitgeleend en het leen wordt erfelijk.
De naam “heerlijkheid” dateert uit de 10de eeuw en beduidt een uitgestrekt leengoed van de koning, waarvan de “Heer” een erfelijk bezitter is geworden en die rechtspraak heeft over zijn onderhorigen. Zo een heerlijkheid is meestal een grote hoeve met vele landerijen, omwald met een vijver, ingangspoort en -brug, de woning bekroond met een torentje en een klok.

Zoals wordt beweerd hadden de Graven van Vlaanderen, reeds vóór de 13de eeuw, de Heerlijkheid Rumbeke in hun bezit. Als gevolg van erfenissen, huwelijken of verkopen verschijnen en verdwijnen namen van eigenaars. Zo kwam de heerlijkheid Rumbeke achtereenvolgens in het bezit van de heren van Wervik, van Nevele, van Lichtervelde en van Gistel; hun wapenschilden zijn onder meer geschilderd op een schouw van een vertrek op de benedenverdieping van het kasteel. Margaretha van Gistel huwde Jean d’Antoing, heer van Briffeuil, en zij verkochten de heerlijkheid in 1426 aan een oude Vlaamse Brugse Ridderfamilie Jan van Langhemeersch, ook de Longpré genoemd.

Merk op dat we intussen de Volle Middeleeuwen achter ons hebben gelaten: een periode van graven en hertogen; een 13de eeuw waarin de steden en gemeenten hun stempel drukten op het politieke, culturele en sociaal-economische leven, een eeuw van Franse overheersing met de Guldensporenslag van 1302. De 14de eeuw wordt getekend door een algemene Europese economische crisis met hongersnood, pest en oorlog. De Bourgondische eenmaking van de Lage Landen in de 15de eeuw sluit daarbij de Middeleeuwen af.

Maria van Langhemeersch, de kleindochter van Jan, huwde in 1476 met Robert Mulaert, raadgever van Filips de Goede en Karel de Stoute, hertogen van Bourgondië, en van Maximiliaan van Oostenrijk. Vader Mulaert kocht zich de titel “de Thiennes”, die verwijst naar het dorp Thiennes (=Tienen) gelegen aan de Leie in Frans-Vlaanderen. Van zijn oom erfde hij de heerlijkheid Lombise bij Mons. Door haar huwelijk met Robert de Thiennes, ook heer van Castre (Kaaster), bracht Maria van Langhemeersch de heerlijkheid in het huis Castre in Frans-Vlaanderen. Vandaar dat het Rumbeke-kasteel ook het “Kaasterkasteel” wordt genoemd.

Uitbouw

Het kasteel blijft zo een 400 jaar (1467-1856) eigendom van de familie de Thiennes, met als familiedevies: “Tienne quoi qu’advienne”. Dan huwt Astérie Marie de Thiennes met Dirk de Limburg Stirum, waardoor het kasteel gedurende 150 jaar (1856-1987) bezit wordt van deze familie met als devies: “Je marche droit”.

De 16de eeuw wordt in onze gewesten getekend door het bewind van de Habsburgers en de godsdienstoorlogen. Het is tevens de eeuw van de uitbouw van ons Kaasterkasteel.

De zetel van de heerlijkheid Rumbeke wordt omstreeks 1502 omschreven als een hofstede met bos, land en water, met een oppervlakte van 15 ha.

Jacob I de Thiennes (1496-1534), zoon van Robert Mulaert en Maria van Langhemeersch en eerste kasteelheer van Rumbeke, legt de kernstructuur van het kasteel vast. Hij bouwt de herenhoeve om tot een landelijk herenhuis in de vorm van een L, een noord-zuid georiënteerd gebouw met haaks daarop een naar het oosten gerichte vleugel en een zuiderportaal. In de binnenhoek staat een traptoren: de vierkantige basis gaat over in een achthoekige toren die bekroond wordt met een uivormige spits. Aanleunend bevindt zich de kapel. Het peperbustorentje op de noordoosthoek geeft het geheel het aanschijn van een middeleeuws waterkasteel.
Deze eerste kasteelheer van Rumbeke was als raadgever van Maximiliaan van Oostenrijk en Keizer Karel een zeer respectabel man; hij trok in 1498 op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela. Hij werd samen met zijn tweede vrouw, Cathérine d’ Oignies, begraven in het hoogkoor van de kerk van Rumbeke. Hun arduinen graftombe was in de 19de eeuw oorzaak van enige dorpscommotie.

In de Middeleeuwen bezochten miljoenen christenen Santiago de Compostela in Spanje om het graf van Sint-Jacob te vereren.
Jacobus de Meerdere, een apostel, kwam als evangelist naar Spanje. Toen hij terugkeerde in Judea liet Herodes hem de marteldood sterven. Zijn lichaam werd per boot naar Spanje gebracht en bleef 800 jaar verborgen. Volgens de legende werden er in 814 sterren boven een veld gezien en daar werd het lichaam van de heilige gevonden. De naam Santiago de Compostela zou dus komen van het latijnse Campus stellae (sterrenveld). De oorspronkelijke kathedraal werd op het graf van Sint-Jacob gebouwd door Alfonso II. De fraaie romaanse kerk die er nu nog staat dateert uit de 11de eeuw; de barokke gevel werd in de 17de en 18de eeuw toegevoegd.
De pelgrimsroute voer door Frankrijk. Parijs ,Vézelay, Le Puy en Arles waren de verzamelpunten van de vier ‘officiële’ routes. Daar de reis vaak jaren duurde en niet ongevaarlijk was, reisde men meestal in groep en overnachtte men in kloosters of in versterkte steden. De pelgrims namen een Sint-Jacobsschelp mee als onderscheidingsteken.
De pelgrimsroute naar Santiago de Compostela is op de dag van vandaag nog steeds brandend actueel.

Ridderzaal

Thomas I de Thiennes (1534-1558), zoon van Jacob I en Isabelle de Plaines, was veldheer in dienst van de Spaanse vorsten Karel V en Filips II. Hij streed onder meer in de veldslag van Saint-Quentin waar de Spanjaarden de Fransen versloegen. Hij huwde Marguerite de Haméricourt. De beginletters van zijn voornaam (T) en die van zijn vrouw (M) staan, verweven in het houten siersnijwerk van een renaissance-bloemenkorf en lacs-d’amour, gebeiteld in de oostelijke balkzool in de grote bovenzaal, later ridderzaal genoemd.

Marguerite de Haméricourt stamde uit een voorname familie. Haar broer Gérard was abt van de Sint-Bertinusabdij en eerste bisschop van Sint-Omaars. Hij nam deel aan het Concilie van Trente (1545-1563). Het was de tijd van de Contrareformatie. In zijn strijd tegen het protestantisme nam het Concilie enkele opmerkelijke besluiten. Niet alleen de bijbel maar ook de traditie zijn de bronnen van het geloof en het Latijn wordt de officiële voertaal van de Kerk. Voor de vorming van de bedienaars van de eredienst worden seminaries opgericht en wordt het celibaat (hedendaags sterk gecontesteerd) verplicht. Voor de gelovigen wordt de juiste geloofsleer eenvoudig uiteengezet door het opstellen van de catechismus (een opmerkelijke geheugentraining op de lagere school) en de index van verboden boeken wordt ingesteld. Door de bisdomhervorming van Filips II van Spanje in 1559 viel de parochie Rumbeke onder het bisdom Brugge. Voordien werd de pastoor benoemd door de bisschop van Doornik op voordracht van de abt van de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars die sedert 1116 het patronaat had over de kerk van Rumbeke.

Thomas I zorgde in 1535 voor de definitieve uitbouw van het kasteel zoals wij het vandaag kennen. Hij bouwt een westelijke vleugel met vijf achthoekige torens afgedekt met een kegeldak, één op de noord-westhoek en vier aan de zuidzijde. De kapel krijgt een verdieping en de ingang wordt verplaatst naar de oostelijke zuidkant. Het kasteel is opgetrokken in een tiental soorten rode baksteen met lichte trapgeveltjes in renaissancestijl. In de buitenmuren zijn kijksleuven en de torens bevatten schietgaten. De grote muurpartijen zijn kunstig onderbroken door metseltekens in grijze baksteen mee opgebouwd in het metselverband. Het matig gebruik van hardsteen en de afwisselend decoratieve elementen onderstrepen de bouwkundige eenvoud van het kasteel.

Metseltekens

Metseltekens zijn betekenisgeladen tekens, symbolen die door de eigen cultuurgemeenschap worden herkend. Meestal hebben zij als doel de gemeenschap te beschermen tegen het kwade en de vruchtbaarheid van mens, dier en akker te bevorderen.
De kasteelmuren bevatten een viertal metseltekens en talrijke combinatievormen ervan. Het Sint-Andrieskruis (X) verwijst naar de Orde van het Gulden Vlies en drukt de verbondenheid uit met de Bourgondische hertogen. Volgens de oeroude symboliek is het vermenigvuldigingsteken ook een vruchtbaarheidssymbool . De ruit is eigenlijk de samensmelting van een omgekeerde V, het mannelijk hemelteken, en een V, het vrouwelijke aardeteken. Het is dan ook een vruchtbaarheidssymbool. Als gesloten teken is het dan ook een onheilsafwerend teken. Het driezonnenmotief, op de toren en op het fronton boven de ingangspoort, verwijst naar de sterke verbondenheid van de mens met de zonnecyclus: opgaande zon, hoogste stand en ondergaande zon, einde en begin van het jaar, dood en verrijzenis. De vuurslagvorm of olielampvorm is een symbool ingevoerd door de Bourgondische hertogen. Volgens sommigen verwijst het naar de Orde van het Gulden Vlies, wiens halssnoer is samengesteld uit vuurslagen en keien. Voor anderen houdt het een verwijzing in naar de Orde van de Tempeliers. Met de vele verwijzingen naar de Orde van het Gulden Vlies zou Thomas I eer hebben willen brengen aan zijn vader Jacob I, die door keizer Karel beloofd was om opgenomen te worden in deze prestigieuze ridderorde. Tezelfdertijd wilde hij zijn verbondenheid met de Bourgondische hertogen onderstrepen. Het kan ook zijn dat de tekens eerder werden aangebracht door zijn grootvader Robert de Thiennes.

Schilderij

Eertijds hing er op het kasteel een kopie van een 16de-eeuws schilderij waarop de kasteelbewoners en hun dienstpersoneel, waaronder het echtpaar Lietaert, dat het neerhof bewoonde, en de oudste zoon Jacob II neergehurkt zitten voor de vijver en het kasteel. We merken ook de banmolen van de heerlijkheid, “Bergmolen” genoemd, de kerktoren van Rumbeke en de halletoren van Roeselare. Het doek toont eveneens twee reigers. Op het domein waren toen twee reigerijen.

Algemeen kunnen wij stellen dat het Rumbeke-kasteel niets heeft van een middeleeuwse burcht, noch ooit enige verdedigingsfunctie heeft gehad; het is een kasteel-landhuis, het oudst bewaarde in de Nederlanden. Men vermoedt dat de architect van het kasteel van Rumbeke ook de Oekense kerktoren heeft ontworpen.

De Orde van het Gulden Vlies werd in 1430 ingesteld door Filips de Goede, hertog van Bourgondië. De leden legden zich de verplichting op om het Geloof en de Kerk te verdedigen en het ridderwezen tot nieuwe bloei te brengen. Het moest een soort tegenhanger worden voor de Engelse Orde van de Kousenband en de gelijkwaardigheid van Filips de Goede met de andere Europese vorsten beklemtonen. Tevens bond hij daarmee de hoge adel aan zijn persoon en de dynastie. Hun ereteken is de ramsvacht: het verwijst naar de Griekse legende van de Argonauten die moet suggereren dat de Bourgondische dynastie afstamt van de Trojanen. Later werd de Orde opgesplitst in een Oostenrijkse en een Spaanse tak.

De Orde van de Tempeliers, met als kenteken het Malthezerkruis, werd in 1119 in Jeruzalem opgericht door Hugo van Payns, een dorpje bij Troyes aan de Seine, door Godfried van Sint-Omaars en zes gezellen. De oprichting was het gevolg van de Kruistochten en de verovering van Jeruzalem waarbij de pelgrims onderweg en in het Heilig Land moesten beschermd worden.
De ridders legden de geloften af van kuisheid, gehoorzaamheid en armoede. De ongehuwden droegen een wit gewaad, de gehuwden en de bedienden een bruin of zwart. Bij hun dood vervielen de bezittingen aan de Orde, de weduwe kreeg een deel van de erfenis maar mocht niet in het huis blijven wonen. Op het Concilie van Troyes (1128-1129) werd de Orde door de paus erkend. Daar zij onder het pauselijk gezag stonden vielen zij buiten het feodale stelsel. Zij waren dus onafhankelijk en hadden een bevoorrechte positie, hetgeen hun grote rijkdom verklaart. De Orde werd dan ook in het jaar 1312, op het Concilie van Vienne, opgeheven door paus Clemens V.

Calvarieraam

De kasteelkapel bestaat uit twee traveeën waarvan het plafond gedragen wordt door twee spitsbooggewelven. Een boogvenster in de zuidoosthoek en een merkwaardig brandglasraam aan de oostzijde versieren het geheel.
Het laatste gebrandschilderde raam, 145 cm hoog en 120 cm breed, bestaat uit vijf geschilderde panelen gevat in vier horizontale raambruggen.
Op het eerste gezicht contrasteert het sober middenpaneel met het exuberante renaissancekader met zuilen en Korintische kapitelen.

Een storende verticale glasband, links van de Mater Dolorosa, en de verlaagde spitsboog doen denken aan een vergroting en verbreding van het raam. Inderdaad, kunsthistorisch onderzoek dateert de kern van het calvarieraam ca 1470-1490. Op een Nels-prentbriefkaart van 1910 staat een rondboogvenster getekend op de linkerkant van de ondertoren.
Men vermoedt dat er een kleine huiskapel was in de ondertoren vooraleer de huidige kapel werd aangebouwd. De kern van het huidige gebrandschilderde glasraam zou dan uit de huiskapel zijn gehaald, anno 1510-1540, vergroot zijn en geplaatst in de aangebouwde kapel.

De kern van het glasraam stelt Christus voor aan een T-kruis, met naast hem de Heilige Maagd en de Heilige Johannes. Drie engelen vangen het bloed van Christus op in kelken; één ter hoogte van de linkerhand, één ter hoogte van de rechterhand en van het hart en één ter hoogte van de voeten. De veroordelingssymboliek vinden we in de letters INRI, Jesus Nazarenus Rex Judeorum. De distel, de schedel en het gebeente onderaan het kruis symboliseren de Golgota-site. Bovenaan, aansluitend op de decoratieve guirlande, prijkt het wapenschild van de familie de Thiennes, geflankeerd door twee engelen als schildhouders.
Het glasraam is vrij specifiek. We zien Christus aan het T-kruis voorgesteld in een typisch 15de eeuwse, bijna vrouwelijke anatomie: lange haren, dikke buik en borst, smalle lenden en brede heupen, vrij rechte benen, de armen iets boven ’t horizontale. In tegenstelling tot de courante afbeeldingen zijn de handen van Christus niet verkrampt; wel vouwt hij de duim voor de handpalm. De voorstelling van de nog levende Christus, met open ogen, is bijzonder opmerkelijk voor het einde van de 15de eeuw.
De gekruisigde Christus ziet ‘bewust’ neer op zijn moeder, die bedroefd het hoofd afwendt; Johannes, de lievelingsdiscipel, kijkt hoopvol naar zijn Meester. Dit bewust-zijn bevestigt de majesteit en de goddelijkheid van de Mensenzoon.
Het glasraam wil de Johannes-versie van Calvarie benadrukken: de stervende Godszoon verklaart aan zijn moeder Maria, die haar eigen zoon verliest, dat zij nu een nieuwe zoon, discipel Johannes, gekregen heeft, en deze een echte moeder, waardoor Maria de moeder van de mensheid wordt.
Vanuit de kerkelijke en volkse devotie voor het Heilig Bloed in Vlaanderen met onder meer de relikwie meegebracht door Dirk van den Elzas van de tweede kruistocht, sacraliseert de afbeelding de oud-testamentische levensbetekenis van het bloed: Christus bezegelde met zijn eigen bloed het eeuwige verbond tussen God en mens.

Avonturier

Jacob II de Thiennes (1558-1565), oudste zoon van Thomas I, was een avonturier en verliet vroeg het ouderlijk huis om naar Parijs te trekken. Leonard Limosin, een Frans émailbewerker, schilderde er toen zijn portret. Het schilderij werd wereldberoemd onder de naam “l’ Email du Limosin”. Hij huwde het jaar na de dood van zijn vader met Isabelle d’ Arckel, vrouw van Heukelum. Het paar bleef kinderloos. Hij had wel vier onwettige kinderen. Het leven aan het Bourgondische hof was zeer losbandig. Meestal erkende en begiftigde men die onwettige kinderen, zodat velen achteraf fier waren een bastaard te zijn van een edelman. Hij is slechts enkele jaren heer geweest van Rumbeke. Hij liet er op eigen kosten de prachtige kerktoren bouwen, die later in 1918 door de wegtrekkende Duitsers zou gedynamiteerd worden. Hij stierf vrij jong en werd begraven in de kerk van Rumbeke. Hij werd opgevolgd door zijn broer Thomas II op wie volgens het middeleeuws leenrecht alle leengoederen met inbegrip van het Rumbeke-kasteel overgingen.

De godsdiensttroebelen van de 16de eeuw lieten ook onze streek niet onberoerd. Haagpreken hadden plaats in de beboste streek aan de heirweg Roeselare-Menen, waar de predikant Jacob de Rore de doopsgezinde leer van de Friese pastoor Menno Simmons verkondigde. De leer vond hier vooral ingang in de milieus van de textielindustrie. Hans Busschaert, bijgenaamd de Wever, werd er een soort bisschop voor de streek. Ook de inquisitie was meedogenloos: Francois van Langhemeersch, baljuw van de kasselrij Oost-Ieperambacht, organiseerde een klopjacht op het gezin Andries Pattyn uit Rumbeke dat naar Haarlem vluchtte. Pieter Titelmans, de beruchte ketterinquisiteur van Vlaanderen, beval een zoektocht naar Pieter van Zuudt uit Oekene, die de confiscatie had vermeden. In de vroege morgen van 23 augustus van 1566 hebben calvinistische beeldstormers, afkomstig uit de textielcentra van Ieper en Hondschote, de kerk van Rumbeke zwaar beschadigd. De kerkrekeningen van toen vermelden geen uitgaven voor nieuwe beelden waaruit kan afgeleid worden dat die vermoedelijk in veiligheid waren gebracht.

Thomas II de Thiennes (1565-1571) was eveneens veldheer in Spaanse dienst en vocht onder meer in de veldslag van Gravelines (1559). Egmont verzocht hem om er, samen met nog twee strijdmakkers, de overwinning van het Spaanse leger op de Fransen mee te delen aan koning Filips II in Brussel. In het kader van de Inquisitie kreeg hij van Egmont ook de opdracht om alle wapens van de kasselrij op het kasteel te verzamelen en over te brengen naar Kortrijk. Hij huwde na dispensatie van Rome de weduwe van zijn broer, Isabel van Arckel. Zij was slechts vier maanden getrouwd geweest met haar eerste man en zou na vier jaar opnieuw weduwe worden en moeten zorgen voor twee minderjarige kinderen, Ferdinand en Thomas III, die bij de dood van zijn vader nog moest geboren worden.
 
In de loop der 12de eeuw werd het graafschap Vlaanderen administratief heringedeeld in vier kasselrijen: het Brugse Vrije, de kasselrij van Veurne (of Veurne-Ambacht), de kasselrij van Kortrijk en de kasselrij van Yper (of Zale). Deze laatste werd onderverdeeld in West Yper Ambacht en Oost Yper Ambacht. Deze administratieve indeling zou blijven bestaan tot aan de Franse Revolutie. De naam ‘kasselrij’ komt van ‘kasteel’: een versterkte plaats. De vroegere graven hadden tegen de Noormannen kastelen opgericht. Sommige van deze werden later verheven tot bestuurlijke hoofdplaatsen over een aantal dorpen. Het geheel werd een ‘kasselrij’ genoemd.

Jan-Baptiste was de derde zoon van Thomas I en Marguerite de Haméricourt en die stond ingevolge het vermelde erfrecht met lege handen. Marguerite, de vrouw van het Kaasterkasteel, kocht de heerlijkheid van Warelles en bouwde voor haar oogappel na de dood van haar man, op nauwelijks 300 m van het Kaasterkasteel, het kasteel van Spytenburg, ook het Warelleskasteel of het Verzonken Kasteel genoemd.

De heren van Warelles gingen naar de kerk van Oekene, waar zij met voorname plechtigheid en op een zitbank in het koor werden ontvangen. Zij lieten daartoe, aan de westelijke zuidkant van hun domein, een voetweg aanleggen, een kerkwegel gekend onder de naam ‘Suytdreve’. Immers, de heer van het Kasteel van Rumbeke had zijn eigen, thans nog gedeeltelijk bestaande, kerkwegel naar de kerk van Rumbeke waar hij eveneens met de gebruikelijke eerbetuiging en privileges werd ontvangen.

Bij de kerk van Oekene mag ons zeker niet de symboliek ontgaan van de vroeg-middeleeuwse kerkarchitectuur. Het koor en het altaar zijn meestal naar het oosten georiënteerd. Het oosten staat symbool voor “Licht”, “Wijsheid” en “Leven”: de zon staat er op, de Wijzen kwamen uit het Oosten.
De kerkelijke architectuur gebruikt het beeld van de op- en ondergaande zon in de voorstelling van de geloofsgeschiedenis. De nachtelijke tocht van de zon, van west naar oost, gehuld in het donker, stelt het Oude Testament voor. De heldere dag, waarbij de zon opgaat in het oosten en ondergaat in het westen, staat voor het Nieuwe Testament. De overgang tussen het Oude en het Nieuwe Testament, tussen nacht en dag, tussen donker en licht, is het Oosten, de opgaande zon, de geboorte van Christus, de verlossing. De herdenking van Onze-Lieve-Vrouw bevindt zich vóór Christus, dus links, vermits Christus nog moet geboren worden. Rechts zijn we de patroonheilige van de kerk indachtig, iemand die geleefd heeft na Christus, dus in het Nieuwe Testament.
In de noordelijke muur van de kerk van Oekene, waar nu een nis is, zat eertijds een deur, het “paradijsdeurtje” genaamd. Het was de deur waarlangs de overledene naar het kerkhof werd gebracht, een donkere tijd in afwachting van het Laatste Oordeel.

Tussen de zuidwestelijke steunberen van dezelfde kerk werd in 1977 de “roepsteen” op zijn historische plaats teruggelegd. Eertijds, vooraleer wij onze talrijke hedendaagse mogelijkheden van publicatie en bekendmaking kenden en de meeste mensen bovendien nog ongeletterd waren, diende een besluit omgeroepen te worden om kracht van wet te krijgen. Dit omroepen gebeurde dan van op een roepsteen na het einde van de zondagse hoogmis…

Hiervoor vertelden we dat Jan Baptiste, de derde zoon van Thomas I en Marguerite de Haméricourt, ten gevolge van het erfrecht met lege handen stond. Moeder Marguerite bouwde toen voor haar oogappel op nauwelijks 300 meter van het Kaasterkasteel het Warelleskasteel, ook het Verzonken Kasteel genoemd.

Maar wat is er van dit Verzonken Kasteel geworden? Na het vele oorlogsgeweld en na de bezetting ten tijde van Lodewijk XIV, werd het als hofstede verhuurd en nadien afgebroken. Nog later werd het verpacht als lusthof en omgezet tot weide. De wallen werden gedempt en opgevuld met het dorpspuin van de eerste wereldoorlog. Zo verdween het Warelleskasteel, gebouwd langs de Kasteelstraat, thans Hoogstraat, waar nu een electriciteitspyloon staat.

We kunnen U echter de legende van de Heer van Tellekkens niet onthouden, vermits ze betrekking heeft op ’t Verzonken Kasteel, gelegen in de Breemeersen, in mist en stilte…

Heel lang geleden waren er in Rumbeke veel kleine kastelen bewoond door ridderheren die slechte en kwade mensen waren. Ieder van deze heren had een afzonderlijke deur om in de kerk te komen. Eén van die heren, de Heer van Tellekkens, had al zijn eigendommen verpand en zijn schatten waren weggesmolten in feesten en braspartijen.
De morgen na het laatste feest wandelde hij buiten en zuchtte halfluid: “Ik zou wel mijn ziel aan satan verkopen, mocht hij mij er genoeg goud voor geven.” Plots, als door een windstoot aangevoerd, stond een klein zwart manneke achter hem. Zijn oogskens vonkelden vreemd. Het sprak: “Indien gij mij belooft van binnen een jaar aan mij te zijn, dan wordt gij rijker dan ooit iemand is geweest”. En zo geschiedde, en de feesten begonnen opnieuw in het kasteel van Tellekkens.
De tijd verging en op een nachtelijk feest werd de kasteelheer naar buiten geroepen door een klein zwart manneke: een jaar was om. De koets met twee zwarte paarden stond klaar om weg te rijden. De heer van Tellekkens vroeg nog een moment uitstel om afscheid te nemen van de aanwezige vrienden, even nog, zolang het kleine lampje brandde waarmee hij naar buiten gekomen was. “Dank U, meester”, zei de heer van Tellekkens, en wierp het lampje in een waterput. Het manneke vloekte en verdween als een draak. De leenheer had zich aan een kwade geest onttrokken, maar niemand kan zich aan Gods hand onttrekken. Hij vervolgde zijn boosaardig leven tot op een nacht waarop een geweldige donderslag gans het dorp Rumbeke wekte.
’s Anderendaags ’s morgens zag men het kasteel van Tellekkens in puin. De heer en zijn dienstboden waren verdwenen, en nooit heeft er iemand nog iets van gehoord. Sedertdien zag men elke nacht een zwart manneken op d’ omgesmeten muren wandelen. Nu is ’t kasteel gans verdwenen en in de grond gezonken. Thans heeft deze plaats een slechte naam waar vrouwen, wanneer zij ’s avonds passeren, hun pas versnellen, een kruis slaan en vaak achter zich kijken of zij niet door ’t zwarte manneken worden gevolgd…

Met de Heer van Tellekkens wordt de Heer van Warelles bedoeld. Dat de Rumbeekse kasteelheren niet goed overeen kwamen en er jaloersheid en rancune tussen de heren van ’t grote kasteel en die van ’t Verzonken Kasteel heersten, vermoedden we reeds. Het liederlijke leven van de Heer van Tellekkens wordt door geen enkele overlevering of document bevestigd. Alleen weten we dat Filippina Margaretha de Thiennes, de oudste dochter van de tweede heer van Warelles, in 1680 op haar slaapkamer vermoord werd door haar eigen dienstknecht. De verbeelding krijgt daardoor de vrije loop. Dat het Warellesgoed financieel is vergaan, niet alleen door luxe en vertier, is de volksmens niet ontgaan. De volksfantasie doet de rest.
Voeg er nog aan toe dat het domein in 1851 het laatst als lusthof werd verhuurd aan de vrijmetselaarsfamilie Lenoir. In een tijd van demonische schrik voor vrijmetselaars en hun Meester, de Prins der Duisternis is dit ruim voldoende om volkse bijgelovigheid te doen ontstaan. Tot daar de legende van de Heer van Tellekkens en het Verzonken Kasteel.

Paternosterknechten

Ferdinand de Thiennes (1571-1590), minderjarige zoon van Thomas II en Isabelle van Arckel, volgde zijn vader op maar in feite was het zijn moeder die samen met de baljuw Pieter Goudenhooft de heerlijkheid bestuurde. Het werden zeer beroerde tijden voor Rumbeke: tijden van oorlog en voortdurende schermutselingen. Volgelingen van Willem de Zwijger, ‘geusche Staatsen’, wilden hier een calvinistische staatsgreep plegen waartegen de Malcontenten, Waalse en pro-Spaanse katholieken, de ‘paternosterknechten’, ten strijde trokken. Plundering, brandstichting, de kerk en de huizen op het dorpsplein lagen in puin.
De opeising van kerkelijke schatten en mensen leidde tot totale ontreddering en ontwrichting. Er was geen baljuw meer, geen pastoor of kapelaan, geen disch meer… De streek toonde de sporen van ontvolking en van totale verpaupering.
Na acht oorlogsjaren keerde de rust terug. De kasteelvrouw en de baljuw trachtten het leven weer op gang te trekken. Pieter Goudenhooft was ook ‘opperghesworene’ van de kerk van Rumbeke, thans voorzitter van de kerkraad genoemd. In die hoedanigheid gold het kerkherstel voor hem een topprioriteit. Op zijn voorstel liet hij zelfs een 14 jaar durende accijns heffen op ‘de bieren die zullen gesleten worden ten tappe in tavernen, in bruyloftsfeesten, drinckarden ende diergelycke festijnen’. Die belasting diende om de leningen voor het kerkherstel te delgen: “de hemelse vreugde van een pintje” kan je zeggen.
Ferdinand sneuvelde, 20 jaar oud, in de slag van Ivry, waar hij tijdens de godsdienstoorlogen onder Egmont vocht tegen de Franse koning Henri IV. Hij had geen erfgenamen.

Pieter Goudenhooft, brouwer van beroep, was een machtig man: als hoofdbaljuw was hij de plaatsvervanger van de Heer van Wijnendale. Hij liet zich een huis bouwen in de Kasteelstraat, thans Hoogstraat 10. Het ’Baljuwhuis’, dat als monument en als dorpsgezicht is geklasseerd bij K.B. van 1976, is na het kasteel het oudste gebouw van Rumbeke. Het bestaat uit een Hooghuis, een Laaghuis en een poort en het dateert uit 1617, tijdens de Spaanse periode van Albrecht en Isabella. Het doet denken aan het gelijkaardige, maar groter gemeentehuis van Groot-Bijgaarden in Vlaams-Brabant. Merkwaardig zijn vooral de renaissance-schouw en de constructie van kamers en kelders.
Het bouwhistorisch onderzoek van het Baljuwhuis in 1996 wijst op een vijftal verbouwingen. Samenvattend kan je stellen: het Hooghuis gaat terug tot zijn vroeg 17de eeuwse oorsprong en de datering “617” is niet het gevolg van een afbraak, maar eenvoudig omdat de muurversiering uit slechts drie muurankers bestond. Het Laaghuis is, ondanks de overblijfselen van vroegere bouwfasen, een grotendeels 19de eeuwse constructie.

Thomas III de Thiennes (1590-1637) volgde zijn broer Ferdinand op. Hij huwde Anna de Renesse met wie hij tien kinderen ‘won’. Hij erfde van zijn moeder ook de heerlijkheden Heukelum, Woudenburg en Leyenbourg, die zij eerder kreeg van een nichtje. Vandaar dat we soms de naam “de Thiennes et de Leyenbourg” ontmoeten.

Het was het begin van de 17e eeuw: de periode van de aartshertogen Albrecht en Isabella toen het economisch herstel gebaseerd was op de handel in linnen en kant. De Moeren werden door Cobergher drooggelegd en nieuwe teelten werden gewonnen. De Jezuïeten promootten de Barok en de eerste barokke kerk werd in Scherpenheuvel gebouwd. De tweede helft van de 17de eeuw zou beheerst worden door de oorlogssituatie met Frankrijk waar Lodewijk XIV zou zorgen voor territoriale winst ten nadele van Vlaanderen.

Duiven

Na de Geuzentroebelen herstelde Thomas III het kasteel en in 1609 liet hij voor zijn geliefde bezigheid een duiventoren met trapgevel bouwen op het neerhof.

Eertijds was het duivenmelken voorbehouden aan kasteelheren, grootgrondbezitters-edelmannen en een voorrecht voor abdijen. Het werd slechts vrijgegeven onder het Hollands Bewind van 1815-1830.
In de tweede helft van de 16de eeuw werd het privilege uitgehold door grotere landbouwbedrijven waarbij de duiven hokten in bakstenen torens op het erf, boven de kippen en de varkens, ofwel in een hok boven de inrijpoort van de boerderij. Nu bijna iedereen duivenmelker werd en de duiven het zaaigraan wegpikten, kwam er een reglementering waarbij het aantal koppels werd beperkt en de vereiste oppervlakte bewerkte grond werd vastgelegd.

Waarom werden die duiven dan wel gekweekt? Ze vermenigvuldigen zich zeer snel en produceren veel mest die uiterst geschikt was voor het vlas en het raapzaad. Bovendien pikten ze hun voedsel op de akkers tijdens de zomerperiode. Voor de edellieden waren de torens op de pachthoven een vorm van prestige en het vlees van jonge duiven was een krachtige afwisseling in het eetpatroon. In mindere mate werden duiven gehouden voor de africhting van sperwers en valken voor de jacht, maar zelfs tot in de tweede wereldoorlog werden ze ingezet als postkoerier.

De parochiekerken van Rumbeke en Oekene werden onder het impuls van Thomas III hersteld. Hij hielp in Rumbeke mee de Blasiusverering te verspreiden en aan de kerk van Oekene schonk hij een doek met de voorstelling van het Sint-Maartensmirakel van de Hollandse meester Wevilinchove. Hij kocht ook nog de heerlijkheid den Hazelt, waardoor het aanzien van de kasteelheer van Rumbeke nog toe nam. Hij en zijn vrouw werden begraven in de kerk van Rumbeke.

Graaf

René de Thiennes (1637-1675), oudste zoon, erfde de heerlijkheid ter gelegenheid van zijn huwelijk met Johanna de Croij in de kerk op de Coudenberg twee jaar voor de dood van zijn vader.
De heerlijkheden Rumbeke en ’t hof ’t Iseghem werden door Koning Filips IV van Spanje tot een graafschap samengevoegd en hij schonk aan René de Thiennes bij die gelegenheid in 1649 de erfbare titel van “graaf”. De nieuwe graaf zou echter zijn hele leven niets anders kennen dan troepenbezetting en oorlogsgeweld. Muitende Franse troepen, die via Menen Kortrijk binnenvielen, plunderden de kerk van Rumbeke. Gelukkig waren de kunstschatten in veiligheid gebracht. Op het kasteel stalen ze tien “schone” paarden. Een decennium later vermoordden ze op het kasteel vier leden van het dienstpersoneel. Ze logeerden er en lieten zich door de bevolking onderhouden.

Met de Vrede van Utrecht (1713) komt een einde aan de Spaanse successieoorlog. De Zuidelijke Nederlanden komen in handen van de Oostenrijkse Habsburgers. Aan de Frans-Vlaamse grens (Menen, Veurne, Ieper) worden Nederlandse garnizoenen gelegerd. Vlaanderen wordt een bolwerk van de Noord-Nederlandse Republiek tegen Frankrijk en speelbal van de grote Europese mogendheden.

Graaf Louis Thomas (1675-1719), die zijn vader opvolgde, kende dezelfde oorlogsellende. Hij studeerde aan de universiteiten van Keulen en Parijs en huwde eerst Magdalena van der Gracht bij wie hij dertien kinderen verwekte. Als weduwnaar hertrouwde hij met Anna Josepha de Leon, weduwe van graaf François Balthazar de Gomiécourt. Hij was de kasteelheer die zeer regelmatig in Rumbeke verbleef en de kerkrekeningen persoonlijk ondertekende.
Het bleven beroerde tijden voor Rumbeke. Waar er normaal tien begrafenissen per maand waren, noteerde Rumbeke er in december 1678 en januari 1679 respectievelijk 76 en 75. En toch genoot het kasteel een zekere ‘sauvegarde’ waarbij het onder meer als bergplaats diende voor meubels en goederen van de bevolking. Door de afwisselende bezetting van Spaanse en Franse troepen diende de bevolking zowel aan de Spaanse als aan de Franse kroon belasting te betalen. De graaf maakte enerzijds de annexatie bij Frankrijk mee van de hele kasselrij Ieper, Rumbeke incluis (verdrag van Nijmegen) en anderzijds het herstel waarbij Lodewijk XIV de kasselrij Ieper weer moest afstaan terwijl Frans-Vlaanderen aan Frankrijk gehecht bleef.
Bij de verdeling van de nalatenschap van wijlen Graaf Louis Thomas zijn - bij de toepassing van het recht van “verderding” door zijn broer graaf Walter Theodoor - zeer grote familieruzies ontstaan die zouden duren tot 1765.

Volgens het middeleeuws leenrecht vervielen al de lenen van een nalatenschap op de oudste zoon. Wanneer er veel lenen en weinig allodiale (niet-leenroerige) goederen moesten verdeeld worden onder vele erfgenamen, leidde dit vaak tot moeilijkheden. Om dit enigszins te milderen bestond onder het leenroerig stelsel het recht van “verderding” waarbij de tweede zoon een derde der lenen mocht eisen mits te verzaken aan zijn deel in de allodiale goederen. De derde zoon mocht zelfs het derde eisen van het derde dat aan de tweede zoon was toegekomen.

Graaf René Charles de Thiennes (1719-1722) werd pas kasteelheer nadat zijn vrouw Magdalena de Gomiécourt overleden was. Hij had met haar acht kinderen. Vijf van de zes dochters traden in het klooster.
Hij kocht heel wat lenen af van de familie van het Warelleskasteel, grotendeels gelegen in Rumbeke. Hij bouwde in 1720 een monumentale poort, een schuine tuinpoort, in de hoge muur tussen de moestuin en het bos, richting Roeselare.

Wervickhove

Graaf Philippe René Hyacinthe de Thiennes (1722-1748) was getrouwd met Maria Ballet. Ze hadden samen vijf kinderen. Hij was schepen van de stad Gent en zeer ondernemend.
In 1731 bouwde hij twee monumentale toegangspoorten met mansardedak, respectievelijk aan de west- en de oostzijde van het domein, met paardenstallen en arcades voor karren en wagens. Boven de oostelijke toegangspoort staat het jaartal 1731 en prijkt het wapenschild “de Thiennes”, bekroond met de banieren en de grafelijke kroon van het Heilig Roomse Rijk met de dertien parels. Beide zijn sterk door de tijd aangetast.
Enkele jaren later kocht hij de schaapshofstede “Wervickhove” ten zuiden van de kerk van Rumbeke, die aldus een leenhofstede werd van de heerlijkheid Rumbeke en die zou evolueren tot een gekende paardenhofstede.

De naam “Wervickhove” zou afkomstig zijn van werf-eck. Eck is een hoek of kant waar, hier in dit geval, werven of wervenhout, dat is wijdauw, groeit en wijdauwtwijgen groeien graag aan natte kanten. De hoeve strekte zich uit aan beide zijden van de Babillebeek, die ontspringt op de hoogte van Moorslede. Het waren grotendeels een opeenvolging van lage meersen die ’s winters meestal overstroomden en weiden die onder water stonden. Eertijds stond er een watermolen waarvoor de beek voldoende debiet en kracht moest hebben. Later werd die vervangen door een windmolen, die naar de wind werd gezet of zoals men zegt ‘gekruid’ werd. De hoeve is een tijd bewoond geweest door Jan Baptiste Becue, een belangrijk dorpspersonage en in goede relatie met de kasteelheer. Halfweg de 17de eeuw was hij baljuw van de belangrijke heerlijkheid van den Hazelt, die hoofdvierschaere was van Oost Yperambacht.

Nog in hetzelfde jaar richtte de kasteelheer de Sint-Sebastiaansgilde voor handboogschutters op en herbouwde hij de herberg “De Roode Leeuw” op het dorpsplein, die hem ook toebehoorde. Deze herberg was tevens ‘wethuis’ van de heerlijkheid.

Tot op ’t einde van het Ancien Régime, was de zetel van de heerlijkheden Rumbeke, ’t Hof van Iseghem en den Hazelt gelegen in Rumbeke. Deze drie heerlijkheden hadden hun eigen ’vierschaar’ of gerecht gevestigd in de herberg ‘De Roode Leeuw’, thans “’t Oud Stadhuis”, ten noordwesten van het dorpsplein. Voor de deur stond een schandpaal of pelderijn op vijf trappen, achthoekig van vorm en geschikt om tezelfdertijd vier misdadigers tentoon te stellen. De schout, die verantwoordelijk was voor de openbare orde en veiligheid, vormde het Openbaar Ministerie bij rechtzittingen voor de Vierschaar. Na de uitspraak was hij belast met de uitvoering van de straf. In de voorgevel van ’t Oud Stadhuis, tussen het tweede en derde venster van de verdieping, is thans nog een steen ingemetseld die het jaar 1738 draagt: het jaar van vermelde heropbouw.

Graaf Charles Louis Albert de Thiennes (1748-1758) betekende dan weer een buitenbeentje in de familie. Als jonge graaf weigerde hij op een gegeven ogenblik de barrièrerechten te betalen in Ingelmunster. Méér nog: hij bedreigde de barrièrewachter met een pistool. Hij werd dan ook veroordeeld. Later trouwde hij de minderjarige maar zeer rijke Marie-Anne-Françoise de Lichtervelde. Hij stierf vrij jong, 21 jaar.

Jacques Florent François de Thiennes, zoon van Graaf Walter Theodoor de Thiennes de Leyenbourg (bij wie de familieruzie door ‘verderding’ startte), stond aan het hoofd van een regiment lichte cavalerie in dienst van Maria-Theresia van Oostenrijk. Het regiment bestond uit zeer jonge rekruten, ‘les Wallons’, ’les blancs-becs’ genaamd. Het regiment versloeg in de slag van Kollyn in 1757 de Pruisische huzaren, hetgeen onverhoopt was. Toen Maria-Theresia dat vernam, was ze zo opgetogen dat ze eigenhandig een roos met doornen en het devies “qui s’y frotte s’y pique” borduurde op de standaard. Zij verorderde tevens dat degenen die tot het regiment zouden toetreden “nimmer baard noch snor” zouden dragen.
Aan deze strijd nam ook een zekere de Limburg Stirum deel.

Sterrebos

Graaf Christiaan Charles de Thiennes (1758-1801), zoon van Graaf Charles Louis Albert en Maria-Anna de Lichtervelde, werd geboren anderhalve maand na de dood van zijn vader. Zijn moeder hertrouwde in 1765 met Graaf Jozef de Murray de Melgum, een Schot, als generaal-bevelhebber in dienst van het Oostenrijkse leger. Hij had de pracht en de romantiek van de Oostenrijkse adel gezien en zou in Rumbeke de omgeving verjongen en verfrissen, letterlijk en figuurlijk. Figuurlijk in de zin dat hij de processen, die de familie de Thiennes sinds bijna een halve eeuw overheersten, beëindigde. Hij dempte de wallen rond het kasteel, verplaatste de ingang naar het zuiden en verbouwde die in Lodewijk XV-stijl. Het kantoor rechts van de hal heeft een schouw in grijze marmer, eveneens in Lodewijk XVde stijl. De schouwwand is bekleed met een houten kader waarin een 19de eeuwse kopie is gevat van een naar oorsprong Frans Pourbus-schilderij. De de Thiennes-afstammeling op het schilderij was in de 16de eeuw in dienst van de paus. Hij liet het Sterrebos aanleggen (1769-1774) door een uitgebreide beplanting van jonge eiken en beuken zowel langs het zuiden en het westen als aan de noordkant van het kasteel.
De kasteelheer liet zich daarvoor inspireren door het ‘Prater’ in Wenen. Tuinarchitect F. Simonau tekende de plannen en voerde die uit in samenwerking met de plaatselijke tuinman Pieter Lietaert, die tevens boswachter en uitbater was van de herberg ‘Vyfwege’: thans nog bestaande als restaurant. Het bos was tot aan de eerste wereldoorlog een echt stukje woud. De twaalf lanen, die de ster van het bos vormen, gaven destijds een doorkijk op de omliggende kerktorens en de vele windmolens, die nu verdwenen zijn.
De ster zelf en de twaalf lanen kan je zeer gemakkelijk associëren met de twaalf geboortemaanden, de windrichtingen en het uurwerk. Daar onze zomertijd twee uur vóór is op de natuurtijd staat de zon om 14 uur in het zuiden. De noordzuidlaan gaf eertijds een prachtig uitzicht op de Sint-Michielskerk in Roeselare en ten zuiden op de Vossemolen; de laan ervoor was gericht op de Zuidmolen. De oostwestlaan, in de richting van de Vijfwegen, zag uit op de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Rumbeke, de kerk van de kasteelheren die met een kerkwegel, die thans nog gedeeltelijk bestaat, met het kasteel was verbonden. De oostwestlijn, die door de ster en tussen de kwadrantvijvers loopt, ziet in oostelijke richting de windmolen van de leenhofstede Wervickhove aan de Babillebeek. De laan, die de oost- en westpoort verbindt met de Bergeikenstraat kijkt uit op de hooggelegen Zilverbergmolen. De kasteel- en kwadrantvijvers worden gevoed door de Regenbeek.
Bosuilen in de treurwilg op het noordwestelijk schiereilandje van de wal en de vleermuizen in de grootbladige linden op de westelijke oever van de noordelijke kwadrantvijver, zijn thans wel heel specifieke bewoners van het Sterrebos.

Rodenbach

De familie Rodenbach is afkomstig uit het Groot Hertogdom Hessen in de Rijnlandse provincie (Duitsland).
Ferdinand Rodenbach, geboren in Andernach op 1 november 1714, werd regimentsdokter met de graad van majoor in het Oostenrijkse leger, dat tijdens de successieoorlog de erfopvolging van Maria Theresia moest afdwingen en bestendigen in de Zuidelijke Nederlanden. Hij was ingedeeld in de staf van het leger van, jawel, onze generaal-bevelhebber graaf van Murray de Melgum. De generaal kwam in 1744 op bevel van Maria Theresia met zijn legerkorps naar de Zuidelijke Nederlanden om de Franse aanval van koning Lodewijk XV te helpen afweren. Bij de Vrede van Aken kwamen de Zuidelijke Nederlanden weer onder Oostenrijks gezag. Een week na de ondertekening van de vrede trouwde Ferdinand Rodenbach, die krijgsgevangene was van de Fransen, in de kerk Saint-Etienne in Rijsel met Joanna Catharina Vandenbossche, handschoenmaakster. Zij was de dochter van Karel Joannes (uit Wakken) en Helena Anna (Ver)Faillie (uit Roeselare). Ferdinand nam ontslag uit het Oostenrijkse leger. Hij kwam naar Roeselare en vroeg aan de kasselrij Ieper het attest om er zich te mogen vestigen als chirurgijn, hetgeen werd toegestaan.
Aldus is Ferdinand de stamvader geworden van een illuster geslacht Rodenbach. Alexander, politicus en blinde Rodenbach genoemd, en zijn broers Georges en Pedro lagen aan de grondslag van de oprichting van de brouwerij Rodenbach, en we hadden Georges, de Franstalige schrijver, en Albrecht, de Nederlandstalige dichter.
Een graaf en een chirurgijn in dienst van het Oostenrijkse leger hebben aldus de Roeselaarse geschiedenis bepaald.

Kasteelheren en -vrouwen hielden van feestelijkheden, van vrienden en gezelschap. Ze waren dan ook voorzien in alles wat daartoe nodig was. Aan de oostzijde, op de mote tussen de kasteel- en de straatwal, was een bloementuin die via een stenen brugje toegankelijk was. Mooie ruikers versierden de tafels. Vaak waren verse bloemen de taal van het hart. Ten zuiden van de oostelijke monumentale toegangspoort, grenzend aan het later te bouwen conciërgehuis, lag de bakkerij. In de oven werden talies van beuk- en kastanjehout gestookt. Het gaf het brood een speciaal aroma. Later werd dit hout nog geveild aan de bakkers van de naburige dorpen. Even buiten de waterrand, in het verlengde van de westelijke stallingen, lag de groententuin: onbespoten groenten zijn onmisbaar voor een heerlijke warme soep. De kwadrantvijvers, ten noorden van het kasteel, waren de visvijvers. In het zuid-westen van het kasteelbos en ten westen eraan was er een grote en een kleine reigerij.

De reigers voorzagen de Heren van allerhande vis, en meer bepaald van palingen. Hoe de reigers dienst deden als vissers lezen wij in volgend gedicht:

                        “van ’t sluwe vedervolk dat vischt in kreek en wallen
                        en paling, snoek en tink, stout naar zijn schuiloord voert,
                        waar d’helft ter Reygerie ten gronde neer komt vallen
                        ten oorboor van den boer die op de vangste loert.”

Waar nu een lage meers is, rechts wanneer je door de westelijke poort het bos ingaat, stonden eertijds een eveneens omwalde brouwerij en hoeve, met koeien- en zwijnenstal, met paarden- en schapenstal, hennen en ganzen. Het jachtwild en de duiven: het kwam allemaal op tafel.
De duiventillen, één aan de oostzijde van het domein en een ander ten noorden van de kapel, waren rijk bevolkt. Duiven waren een lekkernij. Ze waren nuttig als postduif en passionerend als amusement. Aan de rand van het noordelijke bos stond een muur. Daarvoor, open naar het zonnige zuiden, lag een fruittuin, bron van knapperig vers fruit of smaakvolle confituur. De culinaire heerlijkheden kon je enigszins bewaren bij middel van ijsblokken. Ze hakten ze ’s winters uit de grachten en de ondiepe vijvers en bewaarden ze koel in de ijskelder. Links van de tuinpoort, iets verder in het bos, lag een ijskelder: 4,80 meter breed en 4,45 meter hoog waarvan een derde ondergronds.

De kelder was met twee deuren naar het noorden afgesloten en werd via een trap bereikt. Het geheel was geïsoleerd door een dikke laag aarde. De ijsblokken kon je eruit halen bij middel van een katrolketting. Nu hopen de natuurliefhebbers dat het een overwinteringsplaats zal worden voor vleermuizen.
Her en der, in de nabijheid van de vijvers, even verscholen in het groen, waren prieeltjes, heerlijk voor het jeugdig kasteelvolkje met vlinders in de buik, rustig na de jacht, of intiem bij “de jacht” van kasteelheren en -dames met hoofse manieren. Het leven kon mooi zijn!

Thans staat op het binnenplein vóór het kasteel een 35 meter hoge reuzeplataan van 230 jaar oud en iets verderop naar het zuiden een Ponderosaden. In de Engelse tuin groeit nog een Ginkgo of Japanse noteboom en in het Zuidbos een Corsicaanse den van 300 jaar, dus van vóór de aanleg van het Sterrebos.

 

Sansculotten

Graaf Christian Charles de Thiennes huwde later de zeer adellijke Marie Thérèse gravin de Cobentzl, een gewezen leerlinge van Mozart. Hij werd verheven tot kamerheer aan het hof in Wenen en werd benoemd tot hoofdbaljuw van Brugge en ’t Brugsche Vrije.
Na de Franse Revolutie werden onze gewesten in 1795 ingelijfd bij de Franse Republiek. Alle heerlijkheden, heerlijke rechten en privileges, inclusief de tienden, werden voorgoed afgeschaft. Hier eindigde de bestuurlijke inbreng van de graaf en trad de gemeentewet in voege.
De graaf vluchtte naar Wenen en liet het kasteel onbewoond achter. Het kreeg het bezoek van en het werd geplunderd door de Sansculotten.

Het woord “Sansculotten”, letterlijk ‘zonder broek’ dateert uit 1793 en was een scheldnaam die door de Franse aristocratie gegeven werd aan de aanhangers, eerder de stoottroepen van de Franse revolutie. Zij droegen een lange broek in plaats van een kuitbroek of culot, een frygische muts en waren bewapend met een musket of knuppel. De revolutionairen waren trots op die naam en gebruikten die zelf op hun pamfletten en aankondigingen. In het taaleigen van de politieke polemiek wordt het woord soms nog gebruikt om de meest linkse extremisten aan te duiden.

Het Rumbeke-kasteel werd aangeslagen als eigendom van een uitwijkeling. Nadien werd het weer vrijgegeven met de voorwaarde om het binnen het jaar te verkopen. Graaf Christiaan Charles de Thiennes verkocht in 1802 het Rumbeke-kasteel, met de bijgelegen hoeven en landerijen, de herberg de Vyfwege en het Schuttershof aan Graaf François Theodore Laurent de Thiennes de Leyenbourg. Een afschrift van de verkoopaankondiging met de beschrijving van de gebouwen en de percelen hangt momenteel naast de schouw met de wapenschilden.

Na de Slag van Waterloo (1815) richtte het Congres van Wenen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op als bufferstaat tegen Frankrijk. Er werd geen rekening gehouden met de wensen van de bevolking en dat zou leiden tot de Belgische Onafhankelijkheid.

Bakelandt

Graaf François Theodore Laurent de Thiennes de Leyenbourg (1801-1822) was de kleinzoon van Graaf Walter Theodoor, de broer bij wie 80 jaar geleden de familieruzies begonnen door het recht van ‘verderding’, en aldus de achterkleinzoon van Louis Thomas de Thiennes.
De nieuwe kasteelheer was getrouwd met Marie Colette Jeanne de Lichtervelde, zus van de reeds eerder vermelde Marie-Anne. Hij was kamerheer van de Keizer van Oostenrijk, nadien van Willem I en was zeer rijk. Hij kocht ook de heerlijkheid van Emsrode bij Anzegem. Aanvankelijk bleef het kasteel onbewoond. Roversbenden als de bende van Bakelandt, kwamen er hun snode plannen smeden. Naar het schijnt kwamen er zelfs landbouwers uit de omgeving hun koren dorsen op de tegels in de hal.
Het Rumbeke-kasteel is ook zeer kort, en op vraag van Mgr. De Broglie, bisschop van Gent, het noviciaat geweest voor de heropstart van de orde van de Jezuïeten die, samen met de kloosterorden, door het Directoire waren afgeschaft.
 
Ooit werden aan de monumentale tuinpoort in de muur tussen het noordelijke bos en de fruittuin twee nectarinebomen geplant. ’s Anderendaags waren ze weg. Bakelandt was er geweest, zegde men. Louis Bakelandt, wiens voorouders Rumbeekse roots hadden, was een roverhoofdman, geboren in Lendelede uit een onterende verhouding tussen Anna-Marie De Jaeger en haar stiefvader Carolus Bakelandt. De bende was actief op ’t einde van de 18de eeuw, een periode van een barslechte economische toestand met hongersnood en ontbering. Louis schijnt nooit getrouwd te zijn geweest. Francisca Ameye was maar zijn bijzit. Hij werd samen met 22 van zijn kompanen in Brugge op het schavot onthoofd op Allerzielen 1803. Louis Bakelandt was niet alleen een rover en een moordenaar, maar tegelijkertijd een held die het tegen de onwettige bezetter had opgenomen.

Paganini

Graaf François Joseph Michel Ghislain de Thiennes (1822-1855) volgde zijn vader op. Hij genoot een verfijnde, kunstvolle opleiding die hij vervolmaakte met vele buitenlandse reizen. Ooit zat hij op een terras in Milaan waar een rondleurende muzikant hem de oren afzaagde met geradbraakte vioolmuziek. Hij kon het niet meer aanhoren en begon zelf te spelen. De omstaanders waren verrukt. Met hun zuiders temperament sprongen zij op en begroetten hem als “Paganini”.
Hij was inderdaad een begenadigd musicus, schreef diverse romances, eenvoudig van melodie en aangenaam om horen. Hij schreef ook enkele gedichten. Zijn culturele uitstraling maakte van hem een aangename gast aan het keizerlijk hof in Wenen.
Hij ontmoette er onder meer zijn neef Christiaan de Thiennes die gehuwd was met een dame de Cobentzl van Weense afkomst.
Hij was kamerheer bij Willem I, werd lid van de Staten-Generaal der Nederlanden, werd opgenomen in de adel van het koninkrijk der Nederlanden en kreeg de titel ‘de Thiennes de Leyenbourg et de Rumbeke’. Hij was ook lid van vele wetenschappelijke en onder meer archeologische verenigingen.
Men vermoedt dat hij in 1825 burgemeester geworden is van Rumbeke nadat de kerk- en gemeenteraad moeilijkheden hadden gemaakt door de oude graftombe en de zitbank van de familie de Thiennes uit de kerk te verwijderen. Het aantal kerkgangers was sterk toegenomen en er was zogezegd te weinig plaats. De graftombe zou op het kasteel bewaard worden tot 1897. Als burgemeester zorgde hij voor het bekasseien van de dorpsplaats hetgeen zeer uitzonderlijk was. Alleen de weg Roeselare-Menen was indertijd gekasseid door toedoen van Maria Theresia van Oostenrijk. Hij liet tevens het oude kerkhof rond de kerk en de huidige Hoogstraat afvoeren. Aan het ‘Baljuwhuis’ kan je vandaag nog zien hoeveel de toenmalige Kasteelstraat is genivelleerd. Deze nivellering was het gevolg van het feit dat de Oostenrijkse keizer Jozef II, de ‘keizer-koster’ genoemd, in 1784 een decreet uitvaardigde om het begraven in kerken te verbieden. Later verbood keizer Napoleon I ook het begraven rond de kerk.

de Limburg Stirum

De graaf-burgemeester huwde op latere leeftijd, 50 jaar, de zeer adellijke gravin Astérie Albertine Thérèse Ghislaine de Draeck, verwant aan de Adornes-familie. Als bruidschat bracht zij de Brugse Jeruzalemkerk in, die hij onmiddellijk liet restaureren.
Bij de omwenteling van 1830 bleef de graaf koningstrouw en orangist. Hij bleef in België wonen, trok zich uit de politiek terug en wijdde zich volledig aan liefdadigheid en kunst.
Hij had geen zonen, wel drie dochters van wie de jongste minderjarig stierf. De oudste dochter Astérie Marie huwde graaf Thierry-Marie-Joseph de Limburg Stirum en erfde het Rumbeekse kasteel. De jongste dochter Marie Thérèse huwde graaf Marie Joseph de Courtebourne en erfde het kasteel van Emsrode (Anzegem). Marie Thérèse zou later aan de basis liggen van de bouw en de oprichting van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbedevaartplaats met grot en neogotische basiliek in Oostakker (1877).

Baron Frans de Plotho, kasteelheer in Oostakker, voelde zich geroepen tot het trappistenleven, maar het strenge monnikenleven was te zwaar voor zijn zwakke gezondheid. Hij werd priester gewijd en ging wonen in een kluis die hij gebouwd had. Zestig jaar later besloot markiezin de Courtebourne, geboren Marie Thérèse de Thiennes, de kluis om te bouwen tot aquarium. De ingang werd belegd met rotsstenen waarin op vraag van de pastoor een nis werd voorzien voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. De wonderbaarlijke genezing van de Jabbekenaar Pieter De Rudder op 7 april 1875 deed de plannen wijzigen en in plaats van een kapel werd een kerk gebouwd. De kerk werd in 1877 ingewijd en in 1924 tot basiliek verheven. De zoon van mevrouw de Courtebourne, Victor, was jezuïet en had goede contacten met de paters van de Sociëteit van Jezus, die dan ook gevraagd werden om de bediening van het bedevaartsoord op zich te nemen.

Na 400 jaar verviel door huwelijk de naam “de Thiennes” op het kasteel in Rumbeke. De familie zorgde voor de uitbouw van het kasteel en wist de woelige omvormingsjaren van het middeleeuwse Europa tot het 19de eeuwse Europa ongeschonden te doorstaan. Ze oefende bestendig belangrijke functies uit aan onze koninklijke hoven, met uitzondering van het Franse hof, ongeacht door wie ons Vlaanderen was bezet.
De volgende 150 jaar zal de familie “de Limburg Stirum” heersen over het Kaasterkasteel. De familie zal zich onderscheiden in de nationale en plaatselijke politiek en bijzonder verdienstelijk zijn voor de Rumbeekse gemeenschap. Zij zal het kasteel doorgeven aan de bevolking van de 21ste eeuw.

Koningin Juliana

Graaf Thierry-Marie-Joseph (Dirk) de Limburg Stirum (1856-1911) werd door zijn huwelijk met Astérie Marie de Thiennes de nieuwe kasteelheer van Rumbeke. Ter gelegenheid van hun huwelijk werden de deuren in de hal en het eerste salon bekleed met prachtig gesculteerde 17de eeuwse eiken meubeldeuren.
De familie de Limburg Stirum is van oude Duitse adel. Oorspronkelijk bewoonden zij Limburg-an-der-Lahn, ten zuid-oosten van Dortmund (deelstaat Hessen), later ook in Stirum, nabij Duisburg. Een tak van de familie zou in de 16de eeuw uitwijken naar Borkulo in Nederland en Koningin Juliana van Nederland zou één van de afstammelingen worden.
Willem Bernard, een nazaat van de Hollandse stam, was ooit page onder Louis Bonaparte en luitenant onder keizer Napoleon. Hij nam ontslag uit Franse dienst en werd tweede luitenant bij het zesde bataljon Hollandse Jagers. In die functie nam hij deel aan de slag van Waterloo. Uit dank werd hij er vereerd met de ‘grafelijke titel’. Na zijn militaire loopbaan werd hij burgemeester van Wezenbeek in het huidige Vlaams-Brabant. Bij zijn huwelijk verliet hij de Protestantse kerk en bekeerde zich tot de katholieke godsdienst. Zijn tweede zoon Dirk werd aldus door zijn huwelijk de nieuwe kasteelheer van Rumbeke.
De familie de Limburg Stirum heeft dezelfde oorsprong als de graven van Mark en de hertogen van Kleef en van Gullik. De Belgische tak stamt uit het geslacht van de graven van Nassau en is verwant aan Christoffel Plantyn en Pieter-Paul Rubens.
Het wapendevies van de familie de Limburg Stirum is “Je marche droit”.

Graaf Dirk de Limburg Stirum studeerde rechten aan de Universiteit van Leuven. Hij resideerde meestal in Gent en schreef heel wat historische werken. Hij werd senator voor het arrondissement Oostende. Hij was getuige bij de eerste steenlegging van de nieuwe kerk van Dadizele in 1857. Kerk die later door paus Leo XIII verheven werd tot de rang van Mindere Basiliek.

De nieuwe kerk in Dadizele (1857-1895) is er gekomen onder het impuls van Mgr Malou, bisschop van Brugge. Mgr Malou, Ieperling van geboorte, was voorheen professor aan de universiteit van Leuven. Hij was Marialoog en werd in 1853 naar Rome geroepen om het dogma Maria Onbevlekt Ontvangen te verdedigen en te laten goedkeuren. Na de goedkeuring ontstond een enorme Maria-devotie. In die geest werd dan ook de Onze-Lieve-Vrouw-basiliek van Dadizele opgericht.

Sint Godelieve

Tijdens de schoolstrijd van 1880-1884 liet hij op eigen kosten voor het katholiek onderwijs de school van de Zilverberg bouwen. De school werd gedoopt als de Sint-Henricusschool. De naam verwees daarbij naar zijn oudste zoon ‘Hendrik’.
In 1890 liet de graaf zes 15de en 16de-eeuwse brandglasramen herstellen in de Jeruzalemkerk in Brugge. Met de glasschermen werd een disparaat glasraam vervaardigd dat geplaatst werd op de overloop naast de ridderzaal. Het stelt fragmenten voor uit de Godelievelegende.

De legende speelt zich af in de 11de eeuw in het graafschap Boulogne, waar Godelieve geboren wordt in een adellijke familie. Zij wordt op zeer jonge leeftijd uitgehuwelijkt aan Bertolf van Gistel. De tegenstelling is groot: een meisje met een verfijnde adellijke opvoeding en een jongeman, ruw gehouwen door de zeewind. Bertolf blijft afwezig op het drie dagen-durende huwelijksfeest. Hij blijft wonen op de ouderlijke burcht, zij wordt verbannen op de hoeve, bij het dienstvolk en onder de dwingelandij van haar schoonmoeder. Zij staat gekend om haar liefdadigheid. Zij ontvlucht naar huis en door toedoen van de bisschop van Doornik en van de Graaf van Vlaanderen moet Bertolf zijn jonge vrouw terugnemen. Hij zint op wraak: hij ensceneert een ongeluk en terwijl hij weg is wurgen twee dienstknechten haar en werpen haar in een waterput. Het is 6 juni 1070. Hij begraaft haar in de kapel en hertrouwt wat later. Zijn tweede vrouw baart een blindgeboren meisje en sterft zelf wanneer het dochtertje dertien jaar is. Zij wordt eveneens begraven in de kapel, naast het graf van Godelieve. Op een nacht sluipt het kind naar de kapel en huilt en smeekt de heer om te mogen zien. De toegesnelde dienstboden vinden het kind geknield op het graf van Godelieve. Wanneer Bertolf dit verneemt, zo vertelt de legende, trekt hij het boetekleed aan. Godelieve wordt heilig verklaard op 30 juli 1084.
De heilige Godelieve wordt blootshoofd afgebeeld, wurgdoek om de hals, de palmtak in de hand als teken van martelares, met waterput en emmertje. Ze wordt aanroepen tegen keelziekten en koortsaanvallen.

De kasteelheer bouwde in 1891 een hoog neogotisch conciërgehuis, hetgeen je best kunt zien in het steenreliëf aan de zuidzijde. De graftombe van de familie de Thiennes, die reeds driekwarteeuw in het kasteel stond, werd terug opgesteld in de kerk van Rumbeke, die hij tevens begiftigde met een vermoedelijk 12de-eeuwse Romaanse doopvont uit de kerk van Anzegem.

Heel in het begin van de 20ste eeuw stond hij toe dat het wapenschild van de familie de Thiennes ook het wapenschild werd van de gemeenten Rumbeke en Lombise. Het zeer grote archief, dat Graaf Dirk de Limburg Stirum had opgesteld, werd door de erfgenamen overgemaakt aan het Rijksarchief in Brugge en staat gekend als ‘Fonds de Limburg Stirum’.

De 20ste eeuw zal getekend worden door twee wereldoorlogen. De twee protagonisten, Frankrijk en Duitsland, hadden de heropdeling van het Midden-Frankische Rijk van Lotharius, na het Verdrag van Verdun (843), nog steeds niet verteerd.

Bezet

Graaf Henri (Hendrik)-Amedée-Marie-Joseph-Ghislain de Limburg Stirum (1911-1953) promoveerde vrij jong tot doctor in de rechten in Leuven, huwde Julie-Marie-Josephine barones Snoy, en volgde zijn vader op als kasteelheer van Rumbeke. Hij resideerde in Rumbeke, werd burgemeester (1904-1947) en provincieraadslid. Hij staat gekend als een zeer rechtschapen en nederig man.
Hij veranderde heel snel het aanschijn van de gemeente. Hij bouwde een eigen gemeentehuis en een ruime feestzaal en verliet het gemeentehuis-herberg.
Hij vergrootte de gemeenteschool, verbeterde de straten met riolen en borduren en voorzag ze van gasverlichting. Het leven vrolijkte hij op met een kiosk voor de muziek. Helaas, zijn ambtstermijn zou spoedig getekend worden door twee wereldoorlogen.

Op Schuwe Maandag 19 oktober 1914 werden hij en zijn gezin door de Duitse troepen uit het kasteel verdreven en vluchtten zij naar Brussel. Het kasteel werd het hoofdkwartier van het 26ste Duitse reservelegerkorps waarbij Freiherr von Hügel en zijn stafofficieren er resideerden. Herr von Hügel bouwde tussen de eerste toren en de kapel een moderne veranda. Van de kapel maakte hij zijn badkamer (Christus ‘bewust’ van de naaktheid van een Duits officier!) en de sacristie, die zich eertijds bevond in de hoek van het aangrenzende boiseriesallon, werd zijn toilet. De schouw in het salon is in marmer “Rouge de Rance”, stijl Lodewijk XIV, terwijl het stucwerk uit de periode van Lodewijk XV dateert. Het parket en de lambrisering vertonen nog de sporen van de kogelinslagen tijdens Wereldoorlog II.
Wanneer het kasteel wat onbewoonbaar was geworden mochten de lagere officieren er hun intrek nemen en wanneer het beschoten werd vanuit het front mocht het dienen als nachtkwartier voor de gewone soldaten.
Tussen de twee wereldoorlogen hervatte de burgemeester zijn dienstvaardigheid en mildheid tegenover de bevolking. Hij was onder meer de schuttersgilde, de toneel- en muziekgilde bijzonder genegen.

Op de laatste dag van de 18-daagse veldtocht op 27 mei 1940, werd er zwaar gevochten op en rond het kasteel waarbij de reuzeplantaan op het neerhof zwaar werd beschadigd. Zeven soldaten van het eerste regiment grenadiers sneuvelden er. In 1953 werd bij het “foreest-bosje” een standbeeld voor hen opgericht. Ieder jaar wordt er voor hen nog een herdenkingsplechtigheid gehouden. De graaf, die al die tijd op het kasteel verbleef, is op de nochtans herhaalde vraag van de bezetter nooit willen aftreden. Steeds antwoordde hij: ‘Ik werd aangesteld door de koning, alleen op zijn verzoeken en in zijn handen geef ik mijn ontslag’. Ook gedurende de oorlog behartigde hij het patrimonium: het kasteel werd in 1942 geklasseerd. Nadien liet hij het beschadigde kasteel herstellen en voorzag het van meubels en schilderijen uit eigen verzameling. Zijn slaapkamer was het “Rode Salon”, centraal op de eerste verdieping. De schouw in Lodewijk XIV-stijl draagt een 19de eeuwse grisaille, Vlaams maar geïtalianiseerd.
Op eigen verzoek en na herhaald aandringen werd hem eervol ontslag gegeven. Mensen uit die tijd zegden: “Hij was edel door zijn afkomst, maar nog edeler door zijn nederigheid.”

Windwijzers

Graaf Guillaume Anselme de Limburg Stirum (1953-1988) volgde als oudste zoon zijn vader op. Hij bouwde een militaire carrière op bij het Belgisch Leger en werd er kolonel. Later werkte hij hij bij de SHAPE, het Europees hoofdkwartier van de NAVO in Casteau. Hij huwde Elisabeth-Marie-Eulalie, prinses de Ligne.

Het geslacht de Ligne is een zeer oud en aanzienlijk Belgisch adellijk geslacht van Henegouwse oorsprong. Het familiekasteel ligt in de gemeente Beloeil. Het geslacht verwierf reeds in de 14de eeuw de titel van baron en in 1601 werden de de Lignes in de vorstenstand verheven. Het huidige geslacht Arenberg stamt van Jan de Ligne, baron van Barbançon en zijn vrouw Margareta van Arenberg. Eugène Lamoral François Charles prins de Ligne (1804-1880), Belgisch liberaal staatsman, werd na de Belgische Omwenteling van 1830 genoemd als kandidaat voor de troon en weigerde in februari 1831 het regentschap van het nieuwe koninkrijk, hem officieus aangeboden.

De kasteelheer liet belangrijke verfraaiingswerken uitvoeren gedurende de jaren 1961-1963. Het domein rond het kasteel werd genivelleerd. Het kasteel werd grondig gerestaureerd naar het eerder vermelde 16de eeuws schilderij, waarbij de middentoren werd herbouwd en bekroond met een ‘uivormige spits’ met een windwijzer waarin de Vlaamse Leeuw is verwerkt. De kasteelheer liet rechts op de eerste verdieping een ruimte inrichten tot bibliotheek waarbij de wanden met houten kasten werden bekleed. Ten slotte werd het Sterrebos verjongd door het rooien van oude bomen en door nieuwe aanplantingen.
In de windwijzers op de torens herkennen we thans viermaal de Vlaamse Leeuw en tweemaal het embleem van de bewonende vereniging BAAV. De windwijzer op het peperbustorentje op de noord-oosthoek is minder duidelijk: een lachbek-bewoner ziet er wel een ‘mysterieus symbool’ in.
Nadat het kasteel al eerder werd geklasseerd bij KB van 1942, werden bij KB van 1962 ook de inrijpoorten en de stallingen, en bij KB van 1969 het kasteeldomein met inbegrip van het bos geklasseerd.
Binnen het kasteeldomein, 27 ha groot, werden meer en meer manifestaties gehouden van culturele en sportieve aard. Zo werden in januari 1975 in en om het kasteel opnamen gemaakt voor de komische speelfilm “Heaven, save us from our friends”. Roger Moore reed er onder meer met een auto in de kasteelgracht.
Het onderhoud en de toenemende kosten voor het bewonen van een kasteel waren de aanleiding om de omliggende gronden te verkavelen. Het Sterrebos werd door het Westvlaamse Provinciebestuur aangeworven en voor het publiek opengesteld. Het kasteel en de directe omgeving werden verkocht aan de NV Het Sterrebos, een consortium tussen de Bank van Roeselare, de Brouwerij Rodenbach en het Bouwbedrijf Willy Olivier. Thans zijn alle aandelen van dit consortium in handen van de BAAV, de Beroepsvereniging van Autobus- en Autocarondernemers van West-Vlaanderen. Sedert januari 2004 heeft de vereniging er zijn kantoren in ondergebracht en is het bestendig bewoond.
Het creëren van een permanente functie voor het kasteel is wellicht de beste garantie voor de toekomst van ons 16de eeuws patrimonium waartoe het Rumbekekasteel behoort.

De herinnering is het enige paradijs waaruit men niemand kan verbannen.
Stond de “Wieg van het Graafschap Vlaanderen” ooit in Rumbeke, dan blijft het Kaasterkasteel een levendige getuigenis en een genegen ondersteuning voor onze Vlaamse Eigenheid.

Jozef Denolf

Site Design & Copyright by FRANDESIGN © 2010-2011
updated : 18-May-2011